Twee deelnemers, dezelfde leeftijd, een totaal andere uitgangspositie.

Waarom benaderen we ze dan vanuit dezelfde beleggingslogica?

Een valse tegenstelling

In Pensioen Pro van 6 augustus betoogt Anne Laning terecht dat de discussie over keuzevrijheid niet ideologisch maar empirisch moet worden gevoerd: welke inrichting kent het laagste implementatieverlies ten opzichte van het optimum? Wij delen dat uitgangspunt volledig.

Maar de discussie blijft hangen in één tegenstelling: collectief tegenover individueel. Wat ons betreft is dat een valse tegenstelling. De bepalende variabele is niet de governancestructuur, maar de informatie waarop het bestuur stuurt. Daar zit een derde weg: niet méér keuze voor de deelnemer, maar betere stuurinformatie voor het bestuur, zodat collectief beleid preciezer aansluit op waar verschillende deelnemers daadwerkelijk staan ten opzichte van hun pensioendoel.

Eén staffel, een verdeling aan posities

Binnen één leeftijdscohort loopt de spreiding in opgebouwd vermogen, premiehistorie, salarispad en huishoudcontext sterk uiteen. De beleggingsstaffel wordt gekalibreerd op het cohortgemiddelde, en is daarmee per definitie verkeerd afgesteld voor de deelnemers aan de randen van die verdeling. Wie het doel al vrijwel binnen bereik heeft, draagt onder dezelfde staffel mogelijk te veel risico; wie nog een aanzienlijke financieringsopgave heeft, te weinig. Niet omdat het collectieve beleid onjuist is, maar omdat leeftijd de positie ten opzichte van het doel slechts gedeeltelijk verklaart.

Leeftijd bepaalt het pensioenmoment. Niet de financiële positie op weg daarnaartoe.

De vraag verschuift

Niet langer: “hoeveel risico past bij iemand van 45?” Maar: “waar staat deze deelnemer ten opzichte van een passend referentiedoel, en wat betekent dat voor de risico’s binnen het collectieve beleid?”

Een referentiedoel is daarbij geen individuele pensioenbelofte, maar een manier om de collectieve ambitie meetbaar te maken voor verschillende deelnemerposities. Het wordt afgeleid uit onder meer pensioenambitie, premie, horizon, salarisontwikkeling en actuarieel-financiële uitgangspunten, en vervolgens met scenario’s getoetst. Daarvoor worden bestaande gegevens sterker met elkaar verbonden:

  • pensioendoel
  • opgebouwd vermogen
  • premie en salarisontwikkeling
  • resterende horizon
  • benodigd rendement en kans op doelrealisatie

Geen individuele portefeuille, en geen winnaars en verliezers

Dit betekent niet dat iedere deelnemer een eigen beleggingsportefeuille krijgt. Het is een doelgerichte analyse van risico binnen het gekozen beleggingskader. De deelnemer hoeft niet aan het stuur; het bestuur stuurt, en beschermt juist de kwetsbare deelnemer, centraal.

De voor de hand liggende tegenwerping is: als je risico per deelnemer differentieert, is dit dan nog wel collectief, en creëer je niet de winnaars en verliezers waar Laning voor waarschuwt? Het tegendeel is waar. Juist omdat de deelnemer niet kiest, kan het bestuur eerder en preciezer zien welke groepen van hun doel wegdrijven, en hen binnen het collectieve beleid beschermen.

Differentiatie van informatie is geen fragmentatie van verantwoordelijkheid.

De test: dezelfde portefeuille, andere informatie

De sterkste toets vraagt aanvankelijk niet eens om een andere assetallocatie. Laat het bestuur eerst dezelfde collectieve portefeuille zien die het vandaag al voert. Voeg daarna de doelgerichte informatielaag toe. Als het bestuur daardoor andere risico’s identificeert, andere groepen als kwetsbaar herkent, andere beleidsvragen stelt en beter kan monitoren, dan is de bestuurlijke toegevoegde waarde van die informatielaag aangetoond, zonder dat bewezen hoeft te worden dat het een “betere portefeuille” oplevert. Dat is een laagdrempelige én empirisch toetsbare claim.

Illustratief (modelmatig, geen realisatie): binnen één cohort, en dus onder één staffel, kan de kans op het halen van het pensioendoel uiteenlopen van circa 55% voor de onderste kwartielpositie tot ongeveer 85% voor de bovenste, gemeten naar dekking van het referentiedoel. Het cohortgemiddelde oogt gezond en verhult dat verschil. Een bestuur zonder deze informatielaag ziet de staart van de verdeling niet.

~55%
Kans op doelrealisatie, onderste kwartiel
~85%
Kans op doelrealisatie, bovenste kwartiel

Illustratief en modelmatig. Geen realisatie en geen garantie.

De technologie om ALM, actuariële informatie, deelnemersdata en scenarioanalyses sterker te verbinden is beschikbaar. WorldView Investment Management combineert daarvoor actuariële en financieel-economische modellen, gebouwd door een team met decennia institutionele ervaring in portefeuilleconstructie en risicomanagement.

Waar de winst zit

Mogelijk zit de echte winst niet in méér keuze, maar in minder afstand tussen wat collectief wordt besloten en wat voor verschillende deelnemers passend kan worden bereikt. Een leeftijdscohort is een goed uitgangspunt, maar hoeft niet het eindpunt van de analyse te zijn.

In een vervolg laten we zien hoe het referentiedoel wordt afgeleid en hoe de toegevoegde waarde met historische perioden én stochastische scenario’s empirisch kan worden getoetst.

Niet méér keuzevrijheid. Niet méér complexiteit. Wel betere stuurinformatie voor het bestuur.

Van cohortgemiddelde naar doelgerichte stuurinformatie

Pensioenfondsen

Wij verbinden ALM, actuariële informatie, deelnemersdata en scenarioanalyse tot stuurinformatie waarmee uw bestuur kwetsbare groepen eerder ziet en beschermt.

Bekijk onze aanpak voor pensioenfondsen

Plan een kennismaking

Wij denken graag mee over stuurinformatie die collectief beleid nauwkeuriger maakt, zonder méér keuze of méér complexiteit.